Algemeen
16 Jun

"Van koeienwachter tot sergeant" - Hij groeide op in de polders bij Nieuwe-Tonge, wachtte als dertienjarige de koeien voor de boeren en ontdekte er zijn liefde voor paarden. Vier jaar later was hij marechaussee, acht jaarlater parachutist in Engeland, en op 23 november 1944 kwam sergeant Jacob Visbeen om het leven bij het ruimen van landmijnen op Walcheren. Hij werd 29 jaar. Zijn vader, die hem voor het laatst had gezien vóór de oorlog begon, zou pas na de bevrijding horen dat zijn zoonniet meer leefde.Het is een verhaal dat op Goeree-Overflakkee nauwelijks bekend is — en dat verdient het niet. Lees meer >>
Een eilandjongen bij de marechaussee
Jacob — Jaap voor iedereen die hem kende — werd op 24 september 1915 in Nieuwe-Tonge geboren als zoon van Arie Visbeen en Maria van Alphen. Zijn moeder overleed jong, maar wie het navertelt, zegt: het was een leuke jeugd. Kattenkwaad, koeien wachten, en altijd in de buurt van paarden. Het was dan ook geen verrassing dat hij bij zijn militaire dienstplicht terechtkwam bij de cavalerie.
Jaap bleek meer in zijn mars te hebben. Hij werd toegelaten tot de opleiding van deKoninklijke Marechaussee — een elitekorps met hoge toelatingseisen. Na zijn opleiding in de Koning Willem III-kazerne in Apeldoorn kwam hij terecht bij de bereden brigade in hetZeeuws-Vlaamse Axel. Vier man sterk, te paard, belast met de bewaking van de grens en de jacht op smokkelaars.
Verdwenen — zonder afscheid
Op 10 mei 1940 viel Duitsland Nederland binnen. Binnen een week capituleerde het land, maar in Zeeland werd doorgevochten. Op 17 mei kwam het bevel: alle marechaussees moesten de provincie verlaten en uitwijken naar Frankrijk. Ook de brigade van Axel. Ook Jaap Visbeen. Hij kreeg niet eens de kans om zijn familie in Nieuwe-Tonge gedag te zeggen. Hij vertrok —en niemand op het eiland wist waarheen. Het bericht van zijn vertrek uit Axel zou pas veel later, via het Internationale Rode Kruis, in Nieuwe-Tonge bekend worden.
Wat volgde was een tocht van een maand dwars door een instortend Frankrijk. Bijna driehonderd marechaussees trokken via Duinkerken, Abbeville, Rouen en Le Mans naarNantes, en vandaar naar Brest. Op 10 juni 1940 scheepten ze in op het Nederlandse motorschip ‘Prinses Beatrix’. Onder begeleiding van twee Engelse torpedobootjagers bereikte het schip veilig de marinehaven van Plymouth. Ruim achthonderd Nederlandse militairenaan boord — de kern van een nieuw op te bouwen Nederlands leger in Engeland.
Vijfentwintig woorden
In de maanden daarna kwamen via het Rode Kruis de eerste levenstekens binnen in Nieuwe-Tonge. Korte formulieren, maximaal vijfentwintig woorden, gecensureerd en maanden onderweg via Genève. Maar voor de familie Visbeen waren het gouden woorden: Jaap leeft. “Maak het zeer goed. Dank voor bericht. Feliciteer Adriana met huwelijk. Groeten voor allen, ook Julia. Schrijf veel terug. Jaap.” Julia — dat was Julia Baart uit Axel, zijn verloofde. Ook zij ontving die karige berichtjes. Vijfentwintig woorden om een verloving in stand te houden, dwars over een frontlinie heen. Intussen koos Jaap in Engeland niet voor de veilige wachtdienst. Hij meldde zich voor de parachutistenopleiding en raakte daarbij zwaargewond aan zijn linkerschouder. Na een langdurige ziekenhuisopname sloot hij zich aan bij de in 1941 opgerichte Koninklijke Nederlandse Brigade ‘Prinses Irene’. Jarenlang trainde hij voor één doel: de bevrijding van zijn eigen land. Hij werd bevorderd tot sergeant.
De laatste dag
Op 6 juni 1944 begon de geallieerde invasie in Normandië. De Prinses Irene Brigade landde op 5 augustus op het strand van Arromanches en vocht zich in de maanden daarna een weg door Frankrijk, België en Nederland. Na de bevrijding van Tilburg eind oktober kreeg de brigade een nieuwe opdracht: de bewaking van het net bevrijde Walcheren. Jaap was toen dichter bij huis dan hij in vier jaar was geweest — hemelsbreed nog geen veertig kilometer van Nieuwe-Tonge. Maar Walcheren was levensgevaarlijk. Het eiland stond grotendeels onder water door de bombardementen op de zeedijken en lag bezaaid met Duitselandmijnen.
Op 23 november 1944 kreeg een groep specialisten de opdracht het jaagpad langs het Kanaaldoor Walcheren vrij te maken — de enige droge verbinding met Vlissingen. Jaap werkte die ochtend aan de kant van het dorp West-Souburg, waar onder een grote boom mijnen en springstoffen lagen opgeslagen. Wat er precies gebeurde, beschreef zijn collega-sergeant Trienekens later in een brief aan Jaaps broer Adriaan: een enorme ontploffing, waarbij alle opgeslagen munitie in één klap de lucht in ging. Een huis op de dijk werd volledig weggevaagd. Het dorp West-Souburg raakte zwaar beschadigd. En Jaap Visbeen was er niet meer. Door de kracht van de explosie was er nagenoeg niets herkenbaars van hem te vinden. Hij werd 29 jaar.
Wat er overbleef
Jaap werd eerst begraven op een tijdelijke begraafplaats achter de SDOA-school inMiddelburg, te midden van achttien andere gesneuvelde militairen — onder wie zeven leden van de Britse genie die op vergelijkbare wijze omkwamen. In de zomer van 1945 werd hij overgebracht naar de Algemene Begraafplaats aan de Westelijke Havendijk in Middelburg, waar hij nog altijd rust in graf 1078, vak Z. In september 1945 kreeg de familie Visbeen in Nieuwe-Tonge een groen geverfde kist bezorgd met de bewaard gebleven bezittingen van Jaap: een vuil uniform, wat brieven en een krant. Jacob werd postuum bevorderd tot sergeant-majoor. In 1950 ontving zijn vader uithanden van burgemeester Chr. van Hofwegen van Nieuwe-Tonge het Oorlogsherinneringskruis.
En Julia? Zij schreef een laatste groet aan haar verloofde. Dat briefje is bewaard gebleven —net als de Rode Kruis-berichten en de foto’s die de familie al die jaren heeft gekoesterd. Het verhaal van Jacob Visbeen is opgetekend in de allereerste uitgave van Stichting WO2GO door militair historicus Johan van Doorn, mede dankzij de familie die de brieven, foto’s en herinneringen al die jaren heeft bewaard.
Meer informatie over hetoorlogserfgoed van Goeree-Overflakkee: wo2go.nl.
